
In de praktijk komt er niets terecht van de langere overleving die klinische studies met nieuwe medicijnen beloven. Ondanks de nieuwe medicijnen bleef de mediane overleving bij uitgezaaide darmkanker tussen 2008 en 2016 gelijk. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Patricia Hamers. Ze pleit voor een compleet andere omgang met prognoses.
Nieuwe kankermedicatie komt in principe pas op de markt als in klinische studies is aangetoond dat patiënten er langer door leven. Maar deze papieren werkelijkheid houdt in de praktijk geen stand. ‘In tegenstelling tot het algemene geloof, op basis van studiedata, dat de overleving van patiënten met uitgezaaide darmkanker die systemische therapie krijgen, substantieel verbeterd is, kon in onze patiënten geen verbetering aangetoond worden’, schrijft Hamers in het tweede hoofdstuk van haar proefschrift ‘Prognosticeren voor patiënten met colorectale kanker, met gebruikt van real-world data’.
De gerapporteerde mediane (een statistische term voor ‘het merendeel’) overleving van patiënten met uitgezaaide darmkanker die aan klinische studies deelnamen met systemische therapieën, is toegenomen tot meer dan dertig maanden. Dat is veel langer dan de patiënten in de praktijk vergund was. Hamers kon beschikken over de gegevens van 27.275 Nederlanders die tussen 2008 en 2016 de diagnose stadium IV darmkanker kregen; meer dan 95 procent van het totaal. De overleving voor deze groep bleef over deze periode gelijk, namelijk twaalf maanden.
Dit verschil tussen de klinische studies (RCT’s) heeft verschillende oorzaken, schrijft Hamer. ‘Ten eerste vertegenwoordigen studiedeelnemers een selectie van patiënten met een betere prognose, ongeacht hun behandeling.’ Verder noemt ze als mogelijkheden dat nieuwe medicijnen niet of met vertraging bij de patiënten komen, of dat patiënten wel het middel krijgen maar daarvoor in de bewust studie niet in aanmerking gekomen zouden zijn.
Hoop en kwaliteit van leven
Meer dan de mediane overleving, dat het midden van een gegevensverzameling aangeeft, is Hamers geïnteresseerd in de uitersten van de verdeling. In de meest gunstige tien procent van de gevallen was de overleving 62 maanden, zes maanden langer dan in het begin van de onderzochte periode. Ook voor de beste 25 procent van de patiënten was een verbetering in de overleving meetbaar. Die ging naar 29 maanden, een plus van vier maanden.
Ongeveer een kwart van de patiënten onderging in het geheel geen behandeling. Ofwel omdat ze daar niet voor aanmerking kwamen, of omdat ze deze weigerden. De beste tien procent van hen leefde daarna nog een jaar.
Hamers pleit niet alleen voor betere ‘voorspelmodellen’, gebaseerd op realistische data. Ze sluit zich ook aan bij degenen in haar vakgebied die een andere omgang met de cijfers bepleiten. Geen vast getal meer zoals de mediane overleving of X-jaarsoverleving. ‘Wij adviseren patiënten over hun prognose in te lichten door meerdere overlevingsscenario’s te noemen. Op die manier kunnen we patiënten in staat stellen het beste te hopen en zich op het slechtste voor te bereiden.’
Verdere verbetering van de voorspelmodellen zou mogelijk kunnen zijn door daar ook de kwaliteit van leven een plaats in te geven. Dat suggereert een andere studie van Hamers in het kader van haar promotie. Ze nam een groep van 150 patiënten onder de loep die een medicijncombinatie gebruikten, waarvan een klinische trial een ‘bescheiden voordeel’ in de overleving had uitgewezen. Daarbij was het onderdeel ‘kwaliteit van leven’ destijds niet onderzocht. In Hamers onderzoek gebeurde dat wel, maandelijks. Daaruit bleek onder meer dat patiënten die bij aanvang het lager scoorden op levenskwaliteit, een duidelijk groter risico hadden op een kortere overleving.
Dus wil Hamers meer onderzoek naar dit verband zien. En ze raadt behandelaars aan levenskwaliteit in hun overwegingen mee te nemen. ‘De sterke associatie tussen een slechtere kwaliteit van leven en een kortere overleving, suggereert dat artsen daar rekening mee moeten houden bij het bepalen van de prognose en de behandelstrategie.’
Of de toevoeging van levenskwaliteit de prestaties van voorspelmodellen inderdaad gaat verbeteren of niet, het thema verdient meer aandacht. Hamers: ‘Met name in de setting van uitzaaide darmkanker zijn prognoses over hoe het functioneren van patiënten kan aftakelen net zo belangrijk als schattingen van de levensverwachting, om patiënten in staat te stellen plannen te maken en haalbare doelen te stellen.’
Lees ook: De 80 nieuwste kankermedicijnen kochten bij uitgezaaide kanker nauwelijks tijd
Uit 2021: Resultaat kankerbehandelingen valt in de praktijk tegen
Foto: Pol Sifter
MMV maakt wekelijks een selectie uit het nieuws over voeding en leefstijl in relatie tot kanker en andere medische condities.
Inschrijven nieuwsbrief